De Consultant

De Consultant

“Wat een vervelend mannetje.”
“Wie denkt hij wel dat hij is? Columbus?”
“Bo. Columbo…”
“Ik vond hem wel aardig. Eigenlijk”
“Of die ander. Hoe heet hij ook alweer? Hercules nog iets.”
“Poirot. Hercule Poirot. Hercule, zonder S.”
“Hoe dan ook. Een eikel.”
“Iemand nog koffie?”

*

Hij had zichzelf geëxcuseerd met de woorden dat hij “een aanleg had voor flair”. Flair. Niemand, uitgezonderd een 80-jarige acteur misschien, gebruikte nog dat woord! Flair. Dat was zijn enige reden dat hij ze allemaal – op deze dag, nota bene – bij elkaar had geroepen, in een kringetje had gezet, koffie had ingeschonken (voor zichzelf alleen, zij moesten het zelf pakken) en zijn verhaal was begonnen.

“Geachte aanwezigen,” opende hij hooghartig zijn betoog, “zes dagen geleden raakte ik, per toeval, betrokken bij de zaak rond de gruwelijke moord op Tristan van Zwol. Jullie goede vriend. Zoon. Veelbelovend muzikant.”

Eline hoorde het verhaal half aan. Zenuwachtig voor de toespraak die ze straks moest houden. Aaneengeregen leugens, want zoals de moeder van Tristan haar had toegebeten; “over de doden niets dan goeds”. De kleine, ietwat dikkige, betweterige man glimlachte tevreden tijdens zijn rede. Ze had van de knappe agent die haar had opgehaald gehoord dat het mannetje helemaal niet, zoals hij zojuist beweerde, per toeval betrokken was geraakt bij het onderzoek. Blijkbaar zat hij hele avonden thuis achter zijn scanner te wachten tot er iets gebeurde. Iedere keer als er iemand dood werd aangetroffen was hij als een van de eersten aanwezig en telkens droop hij teleurgesteld af wanneer was gebleken dat het een natuurlijk sterfgeval betrof. De agent had haar verteld dat hij letterlijk een sprongetje had gemaakt toen ze Tristan hadden gevonden; zo duidelijk was het dat hier geen sprake was van een natuurlijke dood.

*

“Ik begrijp ook niet hoe hij het in zijn hoofd haalt om vandaag dit hele circus te houden.”
“En dat die rechercheur hem ook gewoon zijn gang liet gaan.”
“Hij deed het best charmant.”
“Hij had ook gewoon direct de dader kunnen aanwijzen. In plaats van ons één voor één langs te gaan.”
“Ja, dat was misschien makkelijker geweest.”

*

Milan had pas tien minuten na het begin van het gesprek door dat de man, die de hele tijd aan zijn snor zat te plukken, niet van de politie was. Een consultant had hij zichzelf genoemd. Volgens hem kwam de politie bij hem aankloppen wanneer ze vast zaten bij een onderzoek. Het leek Milan sterk – hoe weinig vertrouwen hij ook had in de Nederlandse justitie – dat ze na een halve dag al vast zouden zitten.
“Dus u kende meneer Van Zwol sinds de kleuterschool?” Hij ging gewoon door met zijn vragen, ondanks dat Milan duidelijk had gemaakt dat hij liever had dat de man zijn huis zou verlaten.
“Het lijkt me beter als ik dit gewoon met de politie bespreek. En niet met u.”
“Ik werk samen met de politie. Dat zei ik toch?”
“Nee, dat lijkt me niet. U denkt een soort Sherlock Holmes te zijn, maar we leven niet in een wereld waar Sherlock Holmes de politie mag helpen. Wat doet u? Qua werk?”
“Ik? Ik ben consultant. Van de politie.”
“Nogmaals; nee, dat bent u niet. Pas als de politie hier komt en mij zegt dat u de zaak over heeft genomen zal ik de rest van uw vragen beantwoorden.”
“De politie schaamt zich. Dat snapt u ook wel, toch? Ze zeggen liever niet dat ze zijn vastgelopen in het onderzoek, ze gaan…”
“Ik moet u even onderbreken. Hoe kan het – als u mij dat kunt zeggen – dat de politie nu al vast zit? Tristan is nog geen tien uur geleden aan een mes geregen, ik kan me niet…”
“Nu moet ik u onderbreken,” hij kreeg een rare glinstering in zijn ogen en één van zijn mondhoeken ging onnatuurlijk omhoog, “ik heb namelijk niets over een mes gezegd.” Tevreden wipte hij op zijn voeten.
“Jawel, dat heeft u wel. Sterker nog; dat was het eerste dat u zei.”
Hij dacht even na, stopte abrupt met wippen en zei lachend: “Even kijken hoe u zou reageren. Niets anders.”

*

Bastiaan nam een slok van de koffie en verbrandde zijn tong. Dat kon er ook nog wel bij. Eerst had hij ’s ochtends ontdekt dat zijn pak, dat hij pas een paar maanden geleden had gekocht, te klein was geworden waardoor hij nog snel bij zijn vader geschikte begrafeniskleding moest halen. Daarna had zijn auto pech gekregen. Nou ja, niet pech; hij was gewoon vergeten te tanken, maar tegen zijn vrienden had hij het pech genoemd, ze hadden al genoeg redenen om hem te pesten. Toen had hij tijdens de lunch in het tankstation mayonaise op zijn donkerblauwe overhemd geknoeid. En uiteindelijk, hij zat nog geen vijf minuten, had de man die zichzelf een consultant van de politie noemde naar hem gewezen en gezegd dat hij de moordenaar was.

Het bleek zijn manier van werken te zijn, want in vier vloeiend lopende zinnen had hij bewezen dat – hoewel er alle reden voor was om het te denken – Bastiaan juist niet de moord had gepleegd en was hij verder gegaan met vertellen waarom de moeder van Tristan ook niet schuldig was. Het had gevoeld als school, waar hij altijd de eerste was die een spreekbeurt moest houden. De angst om als eerste de klas toe te spreken was gigantisch, maar de opluchting achteraf dat hij de rest van de dag alleen maar hoefde te luisteren was nog groter.

Nu ze allemaal opgefokt en verbijsterd aan de koffie zaten begon er toch wat te knagen bij Bastiaan. Hij verzamelde alle moed om het te zeggen.
“Jongens?” Eline dronk haar koffie en stak een sigaret op. Tristans moeder ging door met huilen, zoals ze al de hele dag aan het doen was. Amber staarde naar haar telefoon. Niemand keek op.
“Jongens!” Hij riep het nu wat harder.
“Volgens mij wil Bassie wat zeggen.” Zodra Sander dit had gezegd keek iedereen naar Bastiaan.
“Wat ik niet begrijp… of… waar ik van schrok… wat ik vervelend… ik wil dus zeggen dat… ik vond het raar… Jullie… was niemand geschokt? Toen die gek mij aanwees als moordenaar? Jullie leken niet verrast. Ofzo.”
Sander begon te lachen en zei: “Nee. Ik niet in ieder geval. Je hoort het wel vaker. Dat als je maar lang genoeg gepest wordt dat er uiteindelijk iets knapt. Ik kon me prima voorstellen dat Tristan weer een flauwe opmerking had gemaakt, het zwart voor je ogen was geworden en je creatief was gaan doen met een mes en Tristans lijf.”
De moeder begon harder te huilen. Eline siste Sander iets toe over tact en Sander werd stil. Zoals hij alleen stil te krijgen was door Eline.
“Denken jullie dat er nog steeds iets kan knappen? Bij mij? Ook nu jullie weten dat ik het niet was?”
“Natuurlijk niet!” zei Eline, “Dat was gewoon een stomme opmerking van Sander. Luister maar niet naar hem, Bassie.”
“Godallemachtig,” Amber draaide haar telefoon om zodat de rest het scherm kon zien, “Het staat al op twitter!”

*

Omdat ze het merendeel van de ooit zo hechte vriendengroep nooit meer sprak – alleen Tristan sprak ze nog dagelijks, maar dat mocht niemand weten – hoorde zij pas van Tristans dood toen de mannen voor haar deur hadden gestaan. De ene was een knappe, lange man van net iets ouder dan zijzelf en hij had zich voorgesteld als rechercheur Willems. Achter hem stond een veel kleinere man, ook veel minder knap, die bij zijn kleffe handdruk had gezegd dat hij een consultant was van de politie. Daarop had de rechercheur hard gezucht en gevraagd of ze binnen mochten komen.

De kleine man begon een vraag te stellen maar werd onderbroken door de rechercheur. Die had haar verteld waarom ze bij haar langskwamen en van wat er daarna gebeurde wist Amber niet veel meer. Tristan, haar lieve, mooie, opwindende, romantische Tristan, was dood. Vermoord. Eline. Dat moest wel. Eline had hem vermoord. Zij was natuurlijk achter hun relatie gekomen en hem neergestoken. En zij zou de volgende zijn. Zo was Eline. Allebei moesten ze natuurlijk dood! Dat vond ze niet erg. Zonder Tristan verlangde ze er misschien wel naar. Pas toen ze zag dat de twee mannen naar haar zaten te staren besefte Amber dat ze alles hardop had gezegd.

*

“Oh ja. Nog bedankt daarvoor, Amber.” Eline schonk haar – ze was de tel kwijtgeraakt maar gokte – zesde kop koffie in. “Dankzij jou was ik toch lange tijd verdachte nummer één. Ik zal je wat vertellen, slet…”
De moeder van Tristan stopte even met huilen om te zeggen dat ze op haar taal moest letten. Ze waren in een crematorium, daar zei je dat soort dingen niet. Eline negeerde haar.
“Slettehoer… ik zal je dus wat vertellen, tyfuswijf. Ik wist al lang van jullie stiekeme geneuk.”
Het huilen was weer verder gegaan, ze had het berispen van haar schoondochter opgegeven.
“Natuurlijk wist ik het! Overwerken. Dat is denk ik wel de meest gebruikte smoes van een vreemdganger. En dat jij het was met wie hij lag te krikken… tja, dat was ook niet al te moeilijk raden. Ik denk dat ik niet eens een moment heb gedacht dat het iemand anders zou kunnen zijn. Jij was altijd zijn grote liefde geweest. En aangezien jij verder alle mannen die we kennen al had gehad, behalve Bassie natuurlijk, was het een kwestie van tijd voordat je het met Tristan zou proberen. Teringkut.”
“Zo was het niet. Ik ben geen slet.”
“Milan. Jonathan. Die ene jongen uit Zwitserland, van dat uitwisselingsgedoe. Sander voordat hij homo werd. Bernhard. Fabian. Die jongen die we altijd Othello noemden…”
“Olle.”
“Olle, ja. Die. Uhm… welke jongens zaten er nog meer in onze klas? Pip! Heb je ook gehad toch? En al die tijd, terwijl jij op ieder schoolfeest en op iedere werkweek jezelf liet nemen door een ander, stond die arme Tristan toe te kijken en te wachten op zijn beurt. Totdat hij het opgaf en genoegen nam met mij.”
“Hij hield van je.”
“Het is niet aan jou om dat te zeggen. Hoer.”
“Hij hield ook van mij. En ik van hem. Of jij van hem hield is nog maar de vraag. Het is precies wat die rare consultant zei; jullie waren meer bij elkaar uit gewoonte dan iets anders.”
“Zullen we die rare kwibus er even buiten laten? Die heeft nog nooit iets met een vrouw gedaan, als je het mij vraagt, dus dat lijkt me nou niet bepaald een expert op het gebied van liefde.”
“Die heeft al zijn tijd aan moord besteed. Dan is er niet echt meer tijd voor liefde.” Sander probeerde de sfeer weer iets luchtiger te maken. Voor zover dat kon, een half uur voor een crematie en een kwartier nadat één van hun vrienden was gearresteerd. Maar de moeder bleef huilen, Eline nam nog een koffie en Amber keek weer naar haar telefoon.

*

“En dan komen we aan bij meneer De Winter.” Het mannetje draaide zich om met een zwaai waarbij een cape niet had misstaan en wees naar Milan.
“Het was Milan?!” vroeg Sander.
“Ik ben nog niet klaar,” antwoordde het mannetje kribbig.
“Jawel. U heeft iedereen gehad. Bassie was het niet. Eline niet. Amber was onschuldig. Ik ook. Mevrouw de Zwol net zo. Als u of de rechercheur het had gedaan zou dat een klein beetje ongeloofwaardig zijn, wat niet betekent dat ik denk dat u niet in staat zou zijn tot moord, overigens. Dus Milan is de laatste. En in de rare toneelstukjes die uw fictieve collega’s altijd houden in boeken en films is het altijd de laatste.”
Daarop was het mannetje in een driftbui uitgebarsten. Sander had zijn hele verhaal verpest. Zo had het niet moeten gaan. Hij had het moeten onthullen en dan zou iedereen vol bewondering naar hem hebben gekeken terwijl rechercheur Willems Milan in de boeien had geslagen.
“Misschien had je hem dan als één na laatste moeten doen. Als verrassing. Maar kan iemand mij vertellen waarom – in godsnaam waarom – Milan zijn beste vriend zou hebben vermoord?!”

*

Als kind al was hij geobsedeerd door detectiveverhalen. Het was begonnen met Scooby Doo. Iedere woensdag- en vrijdagmiddag was dat op tv, na school. De hele dag keek hij daar naar uit. Op school had hij niet veel vriendjes en daardoor tijd genoeg om te voorspellen wat er zou gaan gebeuren die middag op de televisie. Ze zouden weer een spook tegenkomen. En het zou zich afspelen in een verlaten pretpark, een groot huis of in het bos. Scooby en Shaggy zouden bang worden, maar uiteindelijk zou Velma – oh, Velma – genoeg aanwijzingen hebben verzameld om het spook te kunnen ontmaskeren. Het zou de conciërge zijn. Of de directeur van het pretpark. Of een boswachter. Ze zouden er allemaal mee weg zijn gekomen als die verduvelde groep vreemde vrienden niet op was komen dagen.

Op latere leeftijd was hij gaan lezen. Mensen werden aan het begin van het boek vermoord en tegen het einde werd de dader aangewezen. Maar vrijwel nooit door de politie. Altijd was er iemand die slimmer was dan de politie. Die ze hielp en tegelijkertijd te kijk zette. Een professionele detective en zijn vriend, de dokter. Of een voormalige Belgische politieman. Zelfs oude vrouwtjes wisten het in de boeken beter dan elke doorgewinterde agent. En vaak zorgden ze dat de incompetentie van de professionals publiekelijk werd blootgelegd. Alle verdachten – meestal een stuk of vijf, zes – werden in een kamer gezet en de persoon die het mysterie had ontrafeld begon te vertellen. Hij zou meerdere theorieën uitleggen. Theorieën die allemaal heel plausibel waren. De feiten pasten precies. Op één ding na; het ultieme bewijs dat die persoon onschuldig was. En uiteindelijk was daar de grote onthulling. De theorie waarin alle bewijzen en aanwijzingen stuk voor stuk pasten. De dader zou proberen om het verhaal naar het land der fabelen te sturen, maar al snel merken dat het zinloos was en breken. Een volledige bekentenis tot gevolg.

“Maar zo werkt het niet in de echte wereld. Wij laten niemand voor politie spelen. Behalve de politie. En die spelen dus niet,” had Willems gezegd toen hij zijn diensten kwam aanbieden.
“Een paar extra ogen of oren kan nooit kwaad.”
“Dan vraag ik een extra man bij de hoofdcommissaris.”
“Ik kost geen geld. Ik beloof u dat ik uiteindelijk de dader aan zal wijzen, nog voor u hem of haar verdenkt! Binnen een week!”

*

“Luister allemaal. We hebben allemaal al een zware ochtend achter de rug. En een nog zwaardere middag. En god mag weten wat de avond ons zal brengen als de dag pas echt goed tot ons door zal dringen. Dan hebben we ook nog allemaal meer koffie op dan we normaal in een week drinken. Daardoor merken we het misschien niet, maar we zijn moe. Ik ben in ieder geval hondsmoe en ik weet zeker jullie ook. Niet alleen door vandaag, maar door de hele week…”
“Jezus, Bassie. Dat is het langste dat ik je ooit heb horen zeggen. En zo daadkrachtig. Waar komt dat ineens vandaan?”
“Ik was nog niet klaar, Sander. Maar dank je wel. Denk ik. We hebben allemaal amper de tijd gehad om te beseffen wat er is gebeurd. Tristan is dood, alleen dat al is genoeg reden om een vol hoofd te hebben. Maar hij is ook nog eens vermoord. En  we waren allemaal verdacht, volgens die mafkees met z’n snor en z’n regenjas… kies een look idioot!…”
“Ik vind deze nieuwe Bassie bijna opwindend. Ik ga je ook gewoon Bastiaan noemen!”
“Hou even je mond, Sander.”
“Sorry. Ik ben gewoon zo gewend om het gesprek gaande te houden. Ga door. Je bent lekker bezig, neem nog een koffie!”
“We gaan straks afscheid nemen van onze vriend. Uw zoon. Jullie minnaar. Een goeie jongen. Natuurlijk maakte hij fouten, maar in essentie was hij een goede jongen. Wisten jullie dat hij vorige maand naar me toe was gekomen? Hij had gehoord dat ik mijn baan kwijt was en mede daardoor niet lekker in mijn vel zat. Hij kwam langs om gewoon maar even te praten. Het hoefde niet eens over mijn problemen te gaan, hij wilde niet dat ik alleen was. Hij pestte me altijd, net als jullie, maar op het moment dat ik het echt nodig had was hij er en maakte hij geen grapjes. Wilde hij luisteren. Bier drinken. Lachen. Dat is wat ik noem een goede vriend. En zo zijn wij ook. Goede vrienden die elkaar steunen en problemen met elkaar bespreken. Na de dienst gaan we allemaal wat drinken – zolang het maar geen koffie meer is – en we kunnen het wel of niet over Tristan hebben, dat maakt niet uit. We kunnen wel of niet onze liefdesrivaliteit uitpraten. We kunnen elkaar pesten. We kunnen elkaar kussen. Het maakt me allemaal niet uit, maar ik wil straks bij jullie zijn. Want jullie zijn – of jullie het nou willen of niet – mijn vrienden!”

De moeder van Tristan was gestopt met huilen. Amber, Eline en Sander keken verbaasd naar Bastiaan. Misschien had Sander gelijk en was het de koffie-overdosis die hem de zekerheid had gegeven om te zeggen wat hij voelde, maar het had hem goed gedaan.

“Ik wilde eigenlijk het tegenovergestelde voorstellen. We worstelen ons door deze dienst heen en daarna zien we elkaar nooit meer. Geen cake na afloop. Zeker geen koffie. Allemaal onze eigen weg,” zei Eline.
“Meen je dat?” Bastiaan slikte wat tranen weg.
“Oh zeker. Ik zou niet weten wat ik nog met jullie moet. De slettebak als mijn vriendin? Of de homo die alleen maar stomme grapjes maakt? En jij, Bassie? Wij hebben niks met elkaar. Misschien haat ik je zelfs. Tristan was onze verbindende factor en nu die is geëindigd in een plas van zijn eigen bloed… OH MENS! HOU EVEN OP MET JANKEN!”

*

Milan zat op de achterbank van de politieauto. De arrogante gek had hem, dankzij een kleine verspreking, weten te ontmaskeren. Niemand had gedacht dat hij het zou hebben gedaan. Hij en Tristan waren al sinds de kleuterschool onafscheidelijk. Ze hadden nog nooit ruzie gehad en werden door hun vrienden regelmatig als Siamese tweeling bestempeld. En toch was het misgegaan. Hij wist niet meer precies wanneer, maar er was een moment geweest dat er een haat was beginnen te groeien. Het waren kleine dingetjes, maar steeds vaker merkte hij dat Tristan er niet voor hem was. Zelfs nadat Milan was gedumpt door zijn vriendin kwam Tristan niet langs om hem te troosten. De druppel was de avond dat ze naar de film zouden gaan en Tristan afbelde. Hij moest naar Bastiaan – Bastiaan, of all people! – omdat die zijn steun nodig had nu hij werkloos was. Bastiaan, de grootste sukkel die ze hadden gekend! De jongen die ze al vanaf de brugklas samen in de zeik namen. Samen! Die verdiende wel een vriend die naar hem luisterde? Daar moest Tristan wel alles voor opzij zetten? Toen, die avond, was het plan bij Milan opgekomen. En hij was er waarschijnlijk mee weg gekomen als die mafkees zich er niet mee bemoeit had.

*

Bij het weggaan had Eline nog extra hard “Tot nooit!” geroepen. Bastiaan was vertrokken zonder iets te zeggen en toen Sander een opmerking wilde maken had Amber niet naar hem geluisterd en was het toilet ingegaan. De dokter had haar pilletjes gegeven om rustig te worden na de schok van Tristans dood. Ze had ze meegenomen om voor de dienst in te nemen, maar de vele koppen koffie hadden haar rustig gemaakt en ze had ze niet nodig gehad. Tot nu. Ze dook een hokje in en ging zitten. Het buisje schudde ze leeg op haar hand. Uit haar tas viste ze een flesje water en één voor één gingen de witte pilletjes naar binnen.

*

Het was hem gelukt. De kans die hij had gekregen van rechercheur Willems – waarschijnlijk uit medelijden, hij had alles in zijn leven uit medelijden gekregen – had goed uitgepakt. Precies zoals in zijn favoriete boeken en films had hij de juiste man aangewezen. Die ene arrogante eikel had een beetje roet in het eten gegooid, maar de onthulling was er niet minder groots om. Willems had hem, na de publieke bekentenis van Milan, een schouderklopje gegeven. Hij had staan kijken hoe Milan in de politieauto werd gezet en weg werd gereden.

Tevreden had hij zijn jas dichtgeknoopt en het crematorium achter zich gelaten. Het was net als in de boeken. Goed had gewonnen van slecht. De mensen – daarbinnen aan de koffietafel – wisten de waarheid. Hun rustige leventjes konden weer verder gaan. Net als de personages in de verhalen stond niets hun geluk nog in de weg.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s